Overslaan en naar de inhoud gaan

De portreticonografie van een verzamelaar

Portretten van
Nederlandse verzamelaars
tussen 1580 en 1800
Maria de Wilde. Bezoek van tsaar Peter de Grote aan 'Museum Wildeanum', 13 december 1697. 1697–1700. Gravure. 24,2 × 38,2 cm. Amsterdam: Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum Amsterdam. Inv. nr. RP-P-1938-1300
2

Verzamelen

In de vroege moderniteit, de voorzichtige aanloop naar het moderne denken van René Descates (1596-1650) en de Verlichting, zag men in Europa (1500-1700) nieuwe mogelijkheden om de wereld te begrijpen. Een van de dingen waarmee men probeerde een beter begrip van de wereld te krijgen was door verzamelen en het organiseren van verzamelingen. Dit was in belangrijke mate een ontwikkeling in de wijze waarop men dacht en het verzamelen op zich werd een passie.

Door eigentijdse schrijvers werden er verschillende termen gebruikt om verzamelingen aan te duiden. In de Duitstalige gebieden werd gesproken van Kammer, wat ruimte of kamer betekent. Hier werd Wunder (wonder), Kunst (kunst) of Schatz (schat) voorgezet om de betekenis van dergelijke kamers te duiden. In het zestiende-eeuwse Italië werd meestal gesproken van een studiolo, studio, galleria en museo. In de Engelstalige gebieden sprak men van een cabinet. Hiermee duidde men op een kamer waarin de gehele collectie was gehuisvest, de kast waarin men de verzameling opborg of de verzameling zelf. Soms verwees men naar de gehele verzameling ook met cabinet of curiosities of cabinet of rarities. Hieruit blijkt dat het gebruik van termen niet strikt gedefinieerd was en daarnaast afhankelijk was van het individuele karakter van de verzameling.

Een van de dingen waarmee men probeerde een beter begrip van de wereld te krijgen was door verzamelen en het organiseren van verzamelingen.

De zeventiende eeuw, ook wel de periode van de vroege moderniteit genoemd, wordt omschreven als een tijd van verandering. Belangrijke vertegenwoordigers zijn René Descartes, Blaise Pascal (1623-1662) en Isaac Newton (1643-1727) alsmede verschillende leden van de Royal Society. Met hun zelfbewustzijn en hun ideeën vormen zij de motor van deze verandering. Men streefde naar een het ontwikkelen van een samenhangend geheel van metabeschrijvingen en overkoepelende theorieën om te komen tot een beschrijving en definitie van de objectieve werkelijkheid en van algemene waarheden. Men interesseerde zich voor de materiële wereld en deed hier op een deductieve wijze onderzoek naar. In deze fase zijn kerk en Rede nog niet van elkaar gescheiden, zoals in latere periodes wel het geval zal zijn. Deze ontwikkelingen zijn gebaseerd op twee pijlers:

  • Het menselijk vermogen om te observeren, na te denken en conclusies te trekken om zo de kosmos te leren begrijpen;
  • Het onderkennen van het belang van de elementen van de materiële wereld als tastbare bewijzen om tot het juiste begrip van en verhouding tot deze wereld te kunnen komen.

In dit licht zijn de verzamelde objecten van de zestiende- en zeventiende-eeuwse mens belangrijke bewijzen. Hiermee hebben zij de kennis binnen handbereik om een beter begrip van de wereld te krijgen., haar processen te observeren en hieruit conclusies te trekken.

Verzamelen in de zestiende eeuw

De collecties van Francesco I (1552-1587), Ferdinand II (1529-1595) op kasteel Ambras en Rudolf II (1552-1612) in Praag hadden een voorbeeldfunctie voor honderden andere gelijksoortige verzamelingen in de zestiende eeuw. Dergelijke verzamelingen zijn weergegeven in een prent van Het museum van Ferrante Imperato of de reconstructie van verzameling van Ferdinand II. Deze encyclopedische verzamelingen werden bijeen gebracht door prinsen en mensen uit de hogere standen gedurende de zestiende en zeventiende eeuw. Samuel van Quiccheberg (1529-1567) geeft in zijn boek Theatrum Amplissimum (München, 1565) een beschrijving van de ideale verzameling en zijn opstelling. Hij ondersteunt deze beschrijving met voorbeelden van de ideale schikking van de objecten en noemt een verzameling een ‘Geheugen theater’.

Samuel van Quiccheberg (1529-1567) geeft in zijn boek Theatrum Amplissimum (München, 1565) een beschrijving van de ideale verzameling en zijn opstelling.

Verzamelen in de zeventiende eeuw

Volgens Pearce heerste er onder zeventiende-eeuwse verzamelaars een bijna alomtegenwoordige overtuiging dat objecten hen dingen konden vertellen. Dit paste binnen de heersende opvattingen binnen de Europese cultuur van dat moment. Om objecten te laten vertellen waren er drie methodes en dit had gevolgen voor de objecten die verzamelaars opnamen in hun collectie. Daarnaast streefde men ernaar om de verzameling op een bepaalde manier te ordenen, waardoor men beter inzicht en begrip kreeg voor de wereld om hen heen, zoals te zien op een prent van het Museum Wildeanum van Jacob de Wilde. Dit was in lijn me de Europese culturele traditie gecombineerd met een tendens naar een concreet idee van wat ‘waarheid’ is en wat ‘bewijzen’ daarvoor vormen. Deze manier van onderzoeken paste binnen een breder kader van onderzoek naar de mathematische en fysieke aard van de kosmos. De verzameling had als doel een systematische representatie te geven en idealiter deze te classificeren via een taxonomische ordening.

Verzamelen in de achttiende eeuw

De poging om de wereld in zijn geheel te kunnen catalogiseren blijkt een te grote worp te zijn. Toch, wanneer de wereld steeds meer data prijsgeeft, wordt het voor de achttiende-eeuwer steeds aantrekkelijker en belangrijker om deze data te catalogiseren en te classificeren, zoals te zien in de collectie van Levinus Vincent. Deze drang om te willen verzamelen om te kunnen begrijpen heeft een sterk verband met de Wunderkammer of ‘cabinet of curiosity’ uit de vroeg moderne periode. Ook in de achttiende eeuw werd het verzamelen van objecten aangewakkerd doordat men zich bleef realiseren dat het begrip van de wereld dat men had incompleet was. De curiositeit, van oorsprong een antiek woord, wijst ons zowel op het materiaal van het object als de reactie die het bij de beschouwer oproept. Het wonder van een collectie van curiositeiten of objecten kan zowel wetenschappelijk, esthetisch als emotioneel zijn, ook hier is dit sterk afhankelijk van de verzamelaar en zijn verzameling.

Het wonder van een collectie van curiositeiten of objecten kan zowel wetenschappelijk, esthetisch als emotioneel zijn