Overslaan en naar de inhoud gaan

De portreticonografie van een verzamelaar

Portretten van
Nederlandse verzamelaars
tussen 1580 en 1800
Jan Weenix. Agnes Block, Sybrand de Flines en twee kinderen op de buitenplaats Vijverhof. 1684–1704. Olieverf op doek. 84 × 111 cm. Amsterdam: Amsterdam Museum. Inv. nr. SA 20359
3

Portretteren

Het verzamelaarsportret toont in haar afbeelding de persoon van de verzamelaar in relatie tot de door hem verzamelde voorwerpen waarmee hij zijn interesse, zijn welstand en status tot uitdrukking wil brengen. Dit gebeurd aan de hand van iconografische kenmerken die te verdelen zijn in zes categorieën, te weten mode, interieur, lichaamshouding, boeken, antiquiteiten en conserveren.

Mode

Het kostuum vormt een essentieel element van de geportretteerde, toch is er weinig bekend over het keuzeproces. Wie bepaalde wat voor kostuum het werd en met welke motivatie? Is de geportretteerde kleding een directe weergave van de werkelijkheid of een voortbrengsel van de kunstenaar? Hiervoor zou men idealiter de geportretteerde kleding willen vergelijken met nog bestaande kledingstukken. Hiervan is helaas maar weinig bewaard gebleven, maar boedelinventarissen bieden uitkomst. Omdat hierin vaak het kledingbezit tot in de detail beschreven wordt, soms zelfs de kleding die gedragen wordt op een portret. De kleur zwart speelde een belangrijke rol in de mode, verschillende verzamelaars, zoals Jan Govertsz van der Aer, Lucas van Uffelen en Jeronimus Tonneman. In kleding was de kleur zwart duur, niet alleen vanwege het gecompliceerde kleuringsproces maar ook omdat enkele ruwe materialen, zoals indigo en sumak, geïmporteerd moesten worden. Het is dan ook goed mogelijk dat de hogere standen van de samenleving, waartoe de verzamelaars behoorden, er bewust voor kozen om veel zwart te dragen. Juist omdat het duur was en men hiermee zijn status kon tonen. In de achttiende eeuw was men van mening dat de mode in grote mate bepaald werd door de Franse modetrends. De Franse mode bepaalde wat elegant gevonden werd en wat niet. Voor de heren was voornamelijk het habit à la française, ook wel ‘Europees kostuum’ genoemd, populair. Dit kostuum bestond uit drie onderdelen, namelijk een jas, vest en kuitbroek. De bovenlaag van de bevolking nam niet alleen de invloeden van de Franse mode over, maar er vond een gehele verfransing van hun levensstijl plaats. Zo nam men de goede smaak en manieren over en de kennis van de Franse taal was essentieel. Dit ‘Europese kostuum’ is op verschillende verzamelaarsportretten uit de achttiende eeuw terug te zien, zoals die van Jeronimus Tonneman en Floris Drabbe.

Op verschillende verzamelaarsportretten is de verzamelaar afgebeeld in een mantel, zoals Abraham van Lennep. Deze mantel wordt een tabbaard genoemd, was van origine een vijftiende-eeuws kledingstuk, en werd gedragen door mannen. Dit was een soort toga tot op de enkels met een sjaalkraag. De mouwen vielen wijd, met een split vanaf de elleboog naar beneden toe. Vanaf de eerste helft van de zeventiende eeuw werd de tabbaard een motief in de portretschilderkunst. Het werd geassocieerd met studie, traditie, waardigheid en zelfs met de antieken. De tabbaard werd in de loop van de zeventiende eeuw een meer informeel kledingstuk, dat in huis gedragen werd voor warmte en comfort. Dit hield echter niet in dat men de tabbaard niet representatief vond, want men ontving hier gasten in en liet zich ermee afbeelden op een portret. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw werd de tabbaard vervangen door een ander huis-kledingstuk namelijk de Japanse Rock. Deze was geïnspireerd op de Japanse kimono en gemaakt van fel gekleurde zijde of katoen. Dit kledingstuk leende zich nog meer dan de tabbaard voor een los gedrapeerd effect en werd hierdoor het gewaad waarmee men zich geportretteerd wilde zien, voornamelijk vanwege het tijdloze effect.

Gezien de iconografische duiding van de tabbaard, voornamelijk de associatie met studie en waardigheid, is het voor een verzamelaar een logische keuze zich hierin te laten portretteren.

Gezien de iconografische duiding van de tabbaard, voornamelijk de associatie met studie en waardigheid, is het voor een verzamelaar een logische keuze zich hierin te laten portretteren. Toch zijn er maar enkele portretten waarin men de verzamelaar de tabbaard ziet dragen. Meestal wanneer hij in zijn studiekamer onderzoek doet naar zijn collectie. De verzamelaar is dan alleen afgebeeld op zijn portret en de enige ‘bezoeker’ is de beschouwer van het portret, zoals Abraham van Lennep. Hetzelfde is te zien op het portret van Albertus Seba uit 1731, waarbij deze is afgebeeld in Japanse Rock, de laat zeventiende-eeuwse opvolger van de tabbaard. Seba laat hiermee zien dat de bestudering van zijn collectie een serieuze aangelegenheid is, mede ook doordat hij op de tafel voor hem een grote hoeveelheid objecten en studiemateriaal heeft uitgestald. Ook op de achtergrond zien we een groot kabinet gevuld met objecten uit zijn collectie. Seba wil met de kleding in zijn portret de boodschap uitdragen dat hij een geleerd persoon van welstand is.

Op de meeste verzamelaarsportretten zijn de verzamelaars afgebeeld in de, voor hun tijd, laatste mode. Zoals een combinatie van een kniebroek, ook wel rhingrave genoemd, en een wambuis of een langere jas. De kniebroek komt uit Parijs, maar wanneer deze precies in de mode kwam is onduidelijk. De rhingrave werd al snel populair in de Republiek en in eerste instantie gedragen met een wambuis ook wel de innocent genoemd. Vanaf ca. 1650 wordt de korte innocent vervangen door de langere rokjas, ook wel de justaucorps genoemd. De variatie van de rhingrave samen met de korte innocent is onder andere terug te zien in het portret van Jan Six uit 1647.

Binnen de mode zijn er twee iconografische duidingen te geven. Enerzijds laten verzamelaars zich afbeelden in eigentijdse mode waarmee ze kunnen laten zien dat ze zij zich dit kunnen veroorloven en actueel zijn. Daarnaast zijn kledingstukken als de tabbaard en de Japanse Rock aanduidingen van geleerdheid.

Interieur

In de zeventiende eeuw kwamen er in huis, bij de elite, steeds meer luxeproducten. Bij de aankleding van de woning speelden schilderijen, andere kunstwerken en curiosa een rol van betekenis. De schilderijen vormden een gebruikelijke aankleding van de wanden en waren niet per definitie bedoeld als een schilderijenverzameling. Objecten zoals munten, penningen, naturalia en zogenoemde ‘exotica’ werden meestal opgeborgen in laden en kasten vanwege hun afmeting of materiaal. Deze elementen zijn dus niet direct als ‘interieurdecoratie’ zichtbaar, de kasten daarentegen wel. Deze konden dan ook met een iconografisch programma zijn gedecoreerd, zoals bij Jacob de Wilde. De Wilde vond dit kabinet voor zijn verzameling erg belangrijk want het is duidelijk zichtbaar op zijn verzamelaarsportret. Hij heeft zichzelf schuin voor dit kabinet laten portretteren, waardoor het voor de beschouwer ook goed zichtbaar is dat er een iconografisch programma op dit kabinet is weergegeven. Wanneer het kabinet gesloten is toont het een afbeelding van de goden op de Olympos. Ook Hercules wordt hier weergegeven, terwijl hij geen god is maar een held. De Wilde had hier omgevraagd, omdat hij zelf een embleem heeft met een wilde man. Hierop staat een half naakte man met een knots en dat verwijst naar zijn naam omdat Hercules een wilde man is. Hiermee verwijst het beeld naar De Wilde en herkent men dit. Het is een vorm van zelf-representatie. Wanneer de beide kastdeuren opengaan zijn op de binnendeuren ook afbeeldingen weergegeven. Links is uitgebeeld wat De Wilde deed met zijn verzameling. Het wordt uitgebeeld door Historiekunde en de Naakte Waarheid. Deze verteld de Historiekunde wat er genoteerd en bewaard moet worden voor het nageslacht. Dit verwijst naar De Wilde zijn eigen studiewerkzaamheden met betrekking tot zijn collectie. De voorstelling aan de rechterzijde laat Vadertje Tijd zien die met een zeis objecten aan het vernietigen is. Hiermee wordt aangegeven dat wanneer men niet bewaard voor het nageslacht de tijd de objecten zal vernietigen.
Aan het einde van de zeventiende eeuw ontstonden er aparte vertrekken voor de verzamelingen. Dit gold dan met name voor de rariteiten. Schilderijen bleven over het huis verspreid hangen. Dit blijft kenmerkend gedurende het grootste gedeelte van de zeventiende eeuw, ongeacht of de schilderijen behoorden tot de verzamelactiviteit of niet. Enkel bij de rijkere burgers zien we een woon- en ontvangstkamer welke representatief moest zijn en derhalve het rijkste was ingericht. Een dergelijke ontvangstkamer is afgebeeld in de verzamelaarsportret van onder andere Jan de Bosch.

Op verschillende verzamelaarsportretten is de verzamelaar alleen weergegeven gezeten in een vertrek of studiekamer. Hier is dus de verzamelaar weergegeven in één van zijn privévertrekken terwijl hij zich bezighoudt met zijn vrijetijdsbesteding. Dit wordt ook wel het otium genoemd. De verzamelaar bevindt zich waarschijnlijk in het comptoir, een vertrek dat zowel voor studiedoeleinden als werkkamer gebruikt kan worden. Gedurende de zeventiende eeuw wordt het gebruikelijk om geportretteerd te worden terwijl men zich in het comptoir bevindt en zich bezig houdt met een vrijetijdsbesteding, zoals een verzameling. Dit is te zien op bijvoorbeeld het portret van Lucas van Uffelen.

Voor onderdelen van verzamelingen werden speciale opbergmeubelen in gebruik genomen. Het belangrijkste kenmerk van deze meubelen was de grote hoeveelheid kleine laadjes waarin men objecten als munten en penningen goed kon rangschikken. In het buitenland ontstond in de zestiende eeuw reeds een meubeltype specifiek geschikt voor verzamelingen: het kabinet. In Holland werd dit korte tijd later in gebruik genomen.

Vanaf de achttiende eeuw krijgt de plaats van de schilderijencollectie in huis meer aandacht, doordat men hiervoor aparte ‘kunstzalen’ gaat inrichten. De collectie gaat men meer concentreren in één of meerdere vertrekken die amper nog andere functies vervullen. Twee verzamelaarsportretten waarin dit goed naar voren komt zijn de schilderijenzalen of kunstzalen van de verzamelaars J.A. Brentano en Jan Gildemeester. Naast dat hier elke wand benut is voor het exposeren van de schilderijencollectie is ook de ruimte zelf voorzien van decoratieve elementen. Zoals de plafondornamentiek en ornamenten in de bovendeurstukken. Op de vloer is een tapijt neergelegd. Op beide portretten komt nadrukkelijk naar voren dat het om de schilderijenverzameling gaat omdat hierover druk geconverseerd wordt met elkaar op verschillende plaatsen in het schilderij. Men staat in groepjes rondom een schilderij om hierover van gedachten te wisselen.

Lichaamshouding

In verschillende verzamelaarsportretten wijst de verzamelaar op bijvoorbeeld een object uit zijn verzameling. Dit is een manier om de aandacht van de beschouwer te trekken naar dit object of onderdeel van zijn verzameling. Hiermee laat de verzamelaar blijken aan de beschouwer het belang dat hij aan de betrokken curiositeiten en objecten hecht. Zo wijzen Abraham Gorlaeus, Anthonie Grill en Johan Meerman op één of meerdere objecten uit hun collectie. Hiermee leggen ze nadruk op bijvoorbeeld een belangrijk object uit hun collectie of misschien een recente aanwinst. Daarnaast kunnen ze ook wijzen op hetgeen ze onderzoeken, omdat het hen niet alleen om het verzamelen op zich ging maar ook welke kennis zij hiermee konden vergaren.

Karel van Mander (1548-1606) was van mening dat kunstenaars thuis moesten zijn in de weergave van houdingen en rechtschapenheid. Van Mander noemde dit ‘welstand’, en dit werd door Samuel van Hoogstraten en ook latere auteurs overgenomen. Zo schrijft Gerard de Lairesse (1641-1711) in zijn Groot Schilderboek een hoofdstuk over hoe de kunstenaar personen van verschillende standen dient uit te beelden en waar hij het beste zijn inspiratie en oefenmateriaal kan opdoen. De Lairesse is hierin niet de enige. Er verschijnen in de loop van de zestiende en zeventiende eeuw verschillende manierenboeken waarin men onderwezen wordt hoe zich deftig en welgemanierd te gedragen. De Lairesse benadrukt dat houding ook afhankelijk is van de sociale status, de lichaamshouding van een boer verschilt van een edelman. De ideale houding is wanneer de schouders en heupen een tegengestelde beweging maken en men met het gewicht op één van beide benen rust en niet op beide. De traditie, die vanuit deze manierenboeken ontstaat, is dat men rechtop zit en staat en is ook in de verzamelaarsportretten terug te zien. Eigenlijk op elk portret is te zien dat de verzamelaar een rechte en gestrekte houding heeft, zowel wanneer men zittend als staand is afgebeeld. Geconcludeerd kan worden dat de houding er een is van controle, beheersing en sociale klasse.

De ideale houding is wanneer de schouders en heupen een tegengestelde beweging maken en men met het gewicht op één van beide benen rust en niet op beide.

Boeken

In de beeldende kunst heeft het boek verschillende functies en betekenissen. Vanaf de zestiende eeuw laten geleerden zich portretteren met een boek waarmee ze de nadruk willen leggen op hun geleerdheid. Met zo’n portret wilde men blijk geven van zijn kennis. Het boek komt echter ook voor in portretten van niet-geleerde personen, waarmee zij hun intellectuele belangstellingen zichtbaar willen maken. Het boek moet hier dan gezien worden als een statussymbool. In de zeventiende eeuw krijgt het boek ook een moraliserende functie. Boeken werden gebruikt in bijvoorbeeld vanitasstillevens, waar ze wijzen op de vergankelijkheid van het leven en de zinloosheid van de menselijke kennis.

In de context van het verzamelaarsportret is het van belang te weten waarom bibliotheken en boekverzamelingen werden afgebeeld op kunstwerken. Boeken waren in deze periode kostbaar en hun eigenaren waren dan ook trots op hun bezit en wilden dit tonen. Een boekenverzameling werd zowel met als zonder de eigenaar afgebeeld. Boeken konden een onderdeel van een verzameling vormen, ze maakten dan onderdeel uit van een kunstkamer of wetenschappelijke verzameling. Dit is te zien in het portret van Jacob de Wilde door Pieter van den Berge uit 1701. Op dit portret is achter hem een boekenkast afgebeeld, in zijn hand houdt hij een plank met penningen die een belangrijk onderdeel van zijn verzameling vormden. Maar er waren ook verzamelaars die boeken als verzamelobject zagen. Johan Meerman was een boekenverzamelaar en dat blijkt ook uit het portret dat Jean Humbert maakte in 1784. Hier is Meerman afgebeeld zittend aan een tafel terwijl hij door een boek bladert en wijst naar een ander boek op de tafel. Ook hier zien we achter hem een boekenkast. Hier dient deze echter niet alleen ter ondersteuning van het bestuderen van zijn verzameling, zoals bij Jacob de Wilde het geval is, maar is dit zijn verzameling die afgebeeld is. Wanneer een verzamelaar zich liet afbeelden met een boek, al dan niet lezend, kan dit een verschillende iconografische betekenis hebben. Soms werd het lezen uit een boek als een pose gebruikt waarin de opdrachtgever zich geportretteerd wenste te zien. Een goed voorbeeld hiervan is het Portret van Jan Six door Rembrandt van Rijn uit 1647. Hierop zien we Jan Six leunend op de vensterbank, lezend bij het licht van buiten. Op de stoel aan de linkerzijde is een stapel boeken en aan de wand is een schilderij, half verscholen achter een gordijn, afgebeeld. Dit schilderij laat zien hoe Jan Six zichzelf zag, namelijk als een erudiet kunstliefhebber en verdiept in zijn boeken.

Antiquiteiten

Antiquiteiten komen op een groot aantal verzamelaarsportretten voor. Antiquiteiten werden om verschillende redenen afgebeeld op portretten. Zo kan de geportretteerde ervoor gekozen hebben om de buste van een filosoof, bijvoorbeeld Seneca, op zijn portret te laten afbeelden. Hiermee kan hij aan hebben willen geven welke zijn filosofische of levensbeschouwelijke opvatting is. Een andere reden kan zijn dat de beelden een onderdeel vormen van de verzameling van de geportretteerde of dat dit objecten zijn die hij nog graag zou willen toevoegen aan zijn verzameling. Daarnaast kan men klassieke objecten af laten beelden op het portret om hiermee de beschouwer erop te wijzen dat men een klassieke opleiding heeft genoten en geschoold is in het humanistische gedachtengoed. Dat men niet te maken heeft met zomaar iemand maar een geleerd persoon tegenover zich heeft.

Converseren

Een aparte groep binnen de verzamelaarsportretten vormen die portretten waarop de verzamelaar zich te midden van een groep bevindt en men bezig is te converseren over de verzameling of enkele objecten. Dit subtype met converserende personen is een fenomeen dat zich voordoet in de tweede helft van de achttiende eeuw.

Gedurende deze tweede helft van de achttiende eeuw was Cornelis Ploos van Amstel een van de voornaamste figuren van het Amsterdamse culturele leven. Zo was hij betrokken bij een aantal genootschappen en onder andere medeoprichter van het genootschap ‘Vriendschap vereenigt de Kunsten’. Zijn idealen representeerde de gedurende de achttiende eeuw ontstane opvatting dat de mens een sociaal wezen is en dienovereenkomstig het meeste kan leren wanneer hij zich in gezelschap van familie, vrienden of gelijkgestemden bevindt. Dit sociale verkeer werkte twee kanten op, aangezien men zijn kennis kan uitbreiden en smaak en deugd verder kan ontwikkelen. Anderzijds worden de anderen geholpen in het verder ontplooien van cognitieve, sociale en morele vaardigheden. Doordat men zich nuttig maakte in de maatschappij hoopte men de onderlinge harmonie te bereiken, die men zeer waardeerde. Deze door hem in de praktijk gebrachte idealen werden door velen gesteund. Onder andere verzamelaarsportretten uit de achttiende eeuw zijn een weerspiegeling van deze ontwikkeling. De geportretteerde gaf hiermee het bewijs dat hij wist hoe het hoorde en smaak had. Men hield in deze periode ook kunstbeschouwingen en verzamelaars stelden hiervoor vaak objecten ter beschikking. Als verzamelaar had men dus een maatschappelijke functie tot kennisoverdracht en ontwikkeling van een gecultiveerde smaak.

Een goede verzameling was even waardevol voor de kunsten als een bibliotheek dat was voor de geleerdheid.

Dat verzamelaars als Jan Gildemeester en Brentano zich bewust waren van hun rol in de samenleving blijkt uit hun verzamelaarsportretten, beide gemaakt door Adriaan de Lelie, waarop zij converserend te midden van vrienden en bekenden zijn afgebeeld. Beide verzamelaars stelden hun collectie op aanvraag open voor geïnteresseerden. Ploos van Amstel had hiertoe in 1769 een oproep gedaan tijdens een van zijn lezingen op de stadstekenacademie. Volgens Ploos van Amstel was een collectie niet alleen bedoeld ter bevrediging van het eigen genoegen, maar had deze ook een leerzame functie voor kunstenaars en liefhebbers. Een goede verzameling was even waardevol voor de kunsten als een bibliotheek dat was voor de geleerdheid. In deze periode kende de Noordelijke Nederlanden nog geen openbare kunstcollectie, daarom was de oproep van Ploos van Amstel aan collectioneurs om hun verzamelingen open te stellen een belangrijke ontwikkeling.