Overslaan en naar de inhoud gaan

De portreticonografie van een verzamelaar

Portretten van
Nederlandse verzamelaars
tussen 1580 en 1800
George van der Mijn. Cornelis Ploos van Amstel met gasten in zijn kunstkabinet. 1760. Pen, inkt, gewassen in grijs, aquarel en potlood. 21,4 × 28,7 cm. Parijs: Fondation Custodia
4

Presenteren

In dit onderdeel zal dieper ingegaan worden op de betekenis van het verzamelaarsportret voor de verzamelaar. Waarom heeft hij ervoor gekozen om dit portret in opdracht te laten vervaardigen? Hoe verhouden de iconografische kenmerken zich tot de boodschap die de verzamelaar hiermee wilde uitdragen? Deze vragen zullen aan de hand van een aantal casussen worden behandeld, waarbij gekozen is voor een aantal verzamelaarsportretten verspreid over de gekozen periode van 1580 tot 1800.

Het doel van een (verzamelaars)portret

Portretten onderscheiden zich van de andere genres doordat zij individuele bestaande personen weergeven. Het portret laat de persoon zien zoals hij gezien wil worden. Daarom werden portretten voornamelijk in opdracht vervaardigd, zodat de opdrachtgever precies kon aangeven hoe hij afgebeeld wilde worden. Juist omdat het portret een realistische weergave was werd het gezien als de laagste kunstvorm, omdat men eigenlijk de werkelijkheid kopieerde. Echter kunstenaars wilden het karakter van deze persoon vangen in hun portret. Het ging om meer dan alleen hun uiterlijk en eventueel dure kleding weergeven.

Om het karakter van de geportretteerde goed weer te geven had de kunstenaar verschillende mogelijkheden tot zijn beschikking. Zo werd het karakter vastgelegd in de gelaatsuitdrukking, beweging en de houding van de geportretteerde. Daarnaast beschikte de kunstenaar in het geval van een verzamelaarsportret ook over verschillende attributen, zoals de collectie zelf, om het karakter van de verzamelaar mee uit te drukken.

Op een bepaalde manier waren de verzamelaarsportretten een weerspiegeling van de verzamelaars. Zij toonden er hun verbondenheid met hun verzameling, het belang dat zij er aan hechten, mee aan andere verzamelaars, onderzoekers en geïnteresseerden. Hierdoor hebben deze verzamelaarsportretten ook een functie als conversatiestuk. In sommige gevallen is het converseren over kunstobjecten ook het onderwerp van het portret zelf, zoals bij Jan Gildemeester, Brentano en Jan en Pieter Bisschop. Door deze functie als conversatiestuk kan het een goede ingang vormen om over de verzameling te praten, maar ook over de ‘welsprekendheid’ van de geportretteerde(n). Volgens Roodenburg was deze ‘welsprekendheid’ een veelvoorkomend gespreksonderwerp onder de elite burgerij.

De verzamelaar als individu op het verzamelaarsportret

De schelpenverzamelaar Jan Govertsz van der Aer

Jan Govertsz van der Aer (1544/1545 – 1612) woonde vanaf 1602 in Haarlem, waar hij lid was van de rederijkerskamer ‘de wijngaertranken’. Hij speelde een aanzienlijke rol binnen de Haarlemse kunstwereld, onder andere als patroon. Goltzius was een goede kennis en heeft hem meerdere malen geportretteerd.

Van der Aer was investeerder in de Verenigde Oost-Indische Compagnie wat zijn, niet beroepsmatige, interesse in schelpen kan verklaren. De meeste vroege Europese schelpenverzamelaars waren Nederlanders. De VOC had handelsroutes via zuidoost Azië geopend en de schepen kwamen als eerste aan in Amsterdam. Amsterdamse en/of Hollandse geïnteresseerden in schelpen hadden dus eerste keus.

Een verzamelaarsportret dus waarop de geportretteerde is uitgebeeld met uitsluitend attributen van zijn liefhebberij.

Op dit portret van Goltzius is Van der Aer 57 of 58 jaar en afgebeeld met enkele objecten uit zijn schelpenverzameling. Hij zit rechtop aan tafel waarop een deel van zijn collectie is uitgestald. De kraag van zijn jas is iets open, zijn rechterhand ligt stevig op de leuning en in zijn linkerhand houdt hij een prachtstuk uit zijn collectie: Turbo mamoratus, een kostbare schelp. Deze schelp werd ook gezien als symbool van de vergankelijkheid. Misschien wilde Van de Aer hiermee wijzen op de vergankelijkheid van het leven. Hij kijkt de beschouwer onbewogen aan. Op de tafel liggen onder andere Charonia tritonis, Scabricola fissurata Lamarck, Mitra mitra, Terebra areolata link. Van der Aer wilde met dit portret zich presenteren als schelpenverzamelaar. Het bezit van deze collectie gaf hem een bepaalde status, die hij middels dit portret aan het publiek wilde tonen. Kort na het vervaardigen van dit portret beschreef Karel van Mander het in zijn Schilder-boeck: ‘Ian Govertsen, woonende t’Haerlem, en beminder van schulpen, hebbende in de handt een Peerlmoeder, en andere hoornkens bij hem: dit is in volcomeheyt heel uytnemende aerdigh van handelingh en ghelijcken’. Een verzamelaarsportret dus waarop de geportretteerde is uitgebeeld met uitsluitend attributen van zijn liefhebberij.

Portret van Jan Six staand voor het venster

Jan Six studeerde rechten en ‘vrije kunsten’ in Leiden, en mogelijk in Groningen, en sloot zijn opleiding af met een Grand Tour naar Italië in 1641. Six streefde ernaar om te leven als een volmaakte edelman, geïnspireerd door het boek Il Cortegiano van Baldassare Castiglione (1478-1529). Hij beschikte al op jonge leeftijd over een rijkelijk kapitaal en was daardoor ook in staat om een leven gewijd aan de vrije kunsten te leven. Hij bekleedde een functie in de Amsterdamse schutterij, een sociale plicht. Vanaf de jaren 1650 beklimt hij gestaagd de hiërarchie binnen de ambten van de stadsregering van Amsterdam en in 1691 wordt hij benoemd tot burgemeester. Six ontwikkelde een voorliefde voor poëzie en schilderkunst die door Joost van den Vondel (1587-1679) als volgt wordt omschreven: ‘verlieft op Kunst en Wetenschap, en Deught’.

Op dit geëtste portret van Jan Six door Rembrandt van Rijn (1606-1669) staat Six ontspannen aan het vensterraam. Hij was een volger van Castigliones Il Cortegiano, waardoor hij er de levenshouding van liefhebber en beoefenaar van de vrije kunsten op na hield. Dit is ook terug te zien in het verzamelaarsportret dat Rembrandt maakte: Six is verdiept in een geschrift in zijn studeervertrek. De houding waarin Rembrandt hem weergegeven heeft is leunend op één been, zoals Van Mander dat omschreven had met ‘welstand’ .

Six is omgeven door objecten die hem de uitstraling van gentleman-virtuoso geven. Zo liggen er verschillende boeken opgestapeld op de stoel links vooraan op de ets. Op de wand links hangt een schilderij, wat half verscholen gaat achter een gordijn. De boeken en het schilderij laten zijn passie voor verzamelen zien en tevens zijn kennis van literatuur en kunst. Six verzamelde niet alleen schilderijen maar ook artificialia, antiquiteiten en papierkunst. Daarnaast had hij een eigen bibliotheek. De wapenuitrusting duidt op zijn functie bij de Amsterdamse schutterij. Met dit portret wil Jan Six dus niet alleen de nadruk leggen op zijn verzamelaarschap, maar toont hij een breder beeld van zichzelf, zijn persoonlijkheid, aan de beschouwer.

De verzamelaar weergegeven in een groep op het verzamelaarsportret

De verzamelaar Cornelis Ploos van Amstel omringd door kunstvrienden en liefhebbers

Cornelis Ploos van Amstel was een invloedrijke man binnen het culturele leven van Amsterdam gedurende de tweede helft van de achttiende eeuw. Zijn idealen hadden een breed draagvlak in de samenleving en hij pleitte er onder andere voor dat verzamelaars hun collecties openstelden voor liefhebbers en kunstenaars. Het huis van Ploos van Amstel was een ontmoetingsplek voor kunstliefhebbers en kunstenaars. Een van hen was George van der Mijn waarmee Ploos van Amstel een vriendschap onderhield. In 1760 tekende Van der Mijn de kunstkamer van Ploos van Amstel. Ploos van Amstel leefde in welvaart dankzij zijn koopmanschap in hout. Hierdoor was hij in staat een grote verzameling aan te leggen. Hij verzamelde een groot aantal schilderijen, beelden, penningen en voornamelijk tekeningen.

Op het verzamelaarsportret door Van der Mijn is een groot gedeelte van het vertrek uitgebeeld en laat de situatie zien net nadat Ploos van Amstel verhuisd was naar de Binnenkant te Amsterdam. Centraal in de schouw is een kopie van Venus Medici geplaatst en tegen de muur aan de overkant van de vensters is een kunstkast geplaatst. Hierin bewaarde Ploos van Amstel zijn tekeningen en prentencollectie. De kast bestaat uit drie delen en door middel van gordijnen kon de kast worden afgedekt tegen het licht. Aan de linkerkant van de schouw hangt een aantal schilderijen aan de muur. Het meest opvallende stuk is een kerkinterieur van de Oude Kerk te Delft, gehangen in een brede lijst met vleugeldeuren, geschilderd door Emanuel de Witte. Uit dit verzamelaarsportret blijkt dat Ploos van Amstel een brede belangstelling had, want er staat een optisch instrument bij het raam en een globe naast de kunstkast.

Het tweede verzamelaarsportret van Ploos van Amstel dateert van vier jaar later (1764) en werd geschilderd door Jacob Maurer. Het Portret van Cornelis Ploos van Amstel met enkele kunstliefhebbers laat hetzelfde vertrek zien alleen nu is hier een kleiner onderdeel uitgelicht. Een aantal dingen is veranderd gedurende de vier jaar. Zo zijn er moderne comfortabele gestoffeerde stoelen gekomen en is er een grotere tafel geplaatst. Het schilderij van De Witte hangt nog steeds op dezelfde plaats en wordt nu geflankeerd door de portretten van Ploos van Amstel en zijn vrouw Elisabeth.

Beide verzamelaarsportretten tonen de beschouwer de idealen die Ploos van Amstel voorstond. Namelijk dat men zich het beste kon ontwikkelen te midden van een gezelschap en dat collecties toegankelijk moesten zijn voor liefhebbers en kunstenaars. Dat is in beide portretten een belangrijk onderdeel, waarbij er geconverseerd wordt over de objecten. Op het eerste verzamelaarsportret laat Ploos van Amstel zien dat hij zowel schilderijen, beelden als prenten verzamelt terwijl op het latere portret voornamelijk de schilderijen en ook de beelden aandacht krijgen. Enkele prenten zijn als objecten, misschien vergelijkingsmateriaal, onderdeel van de conversatie, maar de kunstkast is niet meer in beeld gebracht.

De Kunstgalerij van Jan Gildemeester in zijn huis aan de Herengracht te Amsterdam

Jan Gildemeester Jansz betrok zijn pand aan de Herengracht 475 in 1792 en richtte hier onder andere een kunstzaal in voor zijn omvangrijke schilderijenverzameling. Men vermoedt dat het voltooien van deze zaal aanleiding is geweest voor Gildemeester om zich te laten portretteren door Adriaan de Lelie. Gildemeester is opgegroeid in Lissabon, waar zijn vader consul-generaal van de Verenigde Nederlanden was. Vanaf 1755 hielden vader en zoon zich vooral bezig met de handel en in 1766 verhuisden zij terug naar Amsterdam en gingen wonen aan de Keizersgracht. Omstreeks deze periode deed Gildemeester ook zijn eerste schilderijaankopen: twee landschappen door Jan van Huysum. Met het verzamelen van tekeningen en prenten was hij al eerder begonnen.

De verzameling van Gildemeester is kenmerkend voor de heersende smaak van de achttiende eeuw. Men had de voorkeur voor eigentijdse meesters naast zeventiende-eeuwse meesters als Adriaan van Ostade, Jan Steen, Adriaen van de Velde, David Teniers en Rembrandt. Daarnaast was Gildemeester mecenas van eigentijdse kunstenaars als Adriaan de Lelie. Naast De Kunstgalerij van Jan Gildemeester in zijn huis aan de Herengracht te Amsterdam had Gildemeester nog vijf andere werken van De Lelie in zijn bezit. Gildemeester is afgebeeld in het midden op de voorgrond van het schilderij, terwijl hij in gesprek is met de man in de rode jas. Gildemeester lijkt met een welsprekend gebaar op de beschouwer af te komen.

Dit verzamelaarsportret verbeeldt het samenzijn van kunstliefhebbers en verzamelaars onder elkaar en kan daarmee gerekend worden tot een ‘conversation piece’.

Dit verzamelaarsportret verbeeldt het samenzijn van kunstliefhebbers en verzamelaars onder elkaar en kan daarmee gerekend worden tot een ‘conversation piece’. Dit samenzijn is volgens het ideaal zoals Ploos van Amstel dit voorstond. Gildemeester appelleert hiermee aan diens oproep om als verzamelaar de collectie toegankelijk te maken voor liefhebbers en kunstenaars. Daarnaast is hier ook het ideaal van Ploos van Amstel weergegeven dat men kennis kan vergaren en zich cultureel kan ontwikkelen door middel van een samenzijn.